Schaduw over Texel Hoofdstuk 9

Met zijn blote handen is Frans aan het graven, hij wil
het gat zo diep mogelijk hebben. De plek in het bos
die hij gevonden heeft is ver verwijderd van fiets- of
wandelpaden. Zijn handen trillen van spanning.
Druppeltjes zweet sijpelen van zijn gezicht en vallen in
het gat. Als hij het gat diep genoeg vindt pakt hij twee
telefoons uit de binnenzak van zijn jas en hij legt ze
onder in het gat. De prepaidsimcard heeft hij al
verwijderd en stukgetrapt. De overblijfselen legt hij bij
de telefoons. Dan pakt hij de doek waar hij de knuppel
ingestopt heeft en hij gooit het op de telefoons. Een
tijdje blijft hij onbewogen naar de spullen staren. Zal
dit voldoende zijn om de politie op afstand te houden?
Hij weet het niet. Twijfel overheerst bij alles wat er op
dit moment in zijn leven speelt. Niet weten waar Sara
is, Johan die dood is, het zal een kwestie van tijd zijn
voordat de politie de hennepkwekerij oprolt en dus zal
er een einde komen aan het extra inkomen waar hij zo
gehecht aan is geraakt. Zijn relatie met Anita; sinds de
verdwijning van Sara lijkt ze hem te haten. Dan schudt
hij zijn hoofd, hij heeft alles gedaan wat hij kan doen,
vanaf nu is het afwachten wat er verder gaat
gebeuren. Het zand dat hij net heeft opgegraven gooit
hij weer terug in de kuil. Als het gat gevuld is gooit hij
er wat bladeren en takjes overheen. Hij staat op en
loopt een eindje naar achteren. Van afstand bekijkt hij
de plek kritisch. Uit niks blijkt dat hij hier iets heeft
begraven. Als hij zichzelf hier volledig van overtuigd
heeft gaat hij tegen een boom zitten en hij sluit zijn
ogen. De vermoeidheid slaat toe, vannacht heeft hij
geen oog dichtgedaan. De paniek die hij vanaf
gisteravond voelt is nog geen moment afgezwakt. Het
was begonnen met het telefoongesprek dat hij
gisteravond met Johan had gevoerd. Hij had willen
weten waarom Johan vooruit was gelopen op de
plannen die ze hadden met Sara. Johan had echter bij
hoog en laag beweerd dat hij van niets wist. Dat hij
zelf net zo verbaasd was geweest. Woedend was
Frans daarna naar zijn boerderij gerend; hij moest en
zou weten waar Sara was en had toch sterk het
vermoeden dat Johan hier meer van wist. Als hij maar
wist dat ze veilig was, dan zou het goed zijn. Bij de
boerderij van Johan had hij gelijk in de gaten dat er
iets mis was. Boris was onophoudelijk aan het blaffen
terwijl de Mercedes van Johan gewoon op het erf
stond. De achterdeur stond wijd open, iets wat Johan
nooit zou doen. Gezien hun lucratieve handeltje op
zolder sloot hij de deuren altijd zorgvuldig af, of hij nou
thuis was of niet. Op onverwachte gasten zat hij niet
te wachten. Alleen voor hem had Johan een
reservesleutel in de schuur verstopt. Het geblaf van
Boris kwam achter de gesloten deur van de
woonkamer vandaan. Frans had een paar keer op de
deur geklopt maar toen er, behalve nog harder geblaf
van Boris, geen reactie was gekomen, had hij de deur
geopend. De hond was langs hem heen gerend naar
boven en daar was het blaffen overgegaan in een
klagend gehuil. Eigenlijk was Frans te bang geweest
om naar boven te gaan; het voorgevoel dat hij daar
iets akeligs ging aantreffen was groot. Maar wat als
het iets met Sara te maken had? Hij moest naar
boven, kijken wat er aan de hand was.
Het aanhoudende gejank van Boris maakte hem alleen
maar banger. Alle moed die in zijn lichaam aanwezig
was, had hij bij elkaar geraapt en hij was uiteindelijk
naar boven gegaan. Toen hij op de laatste trede was
had hij het lichaam van Johan gezien. Johan lag in de
badkamer. Het bloed sijpelde uit zijn schedel.
Gorgelende geluiden kwamen uit zijn keel. Frans weet
niet hoelang hij op de trap heeft gezeten. Maar toen
hij eindelijk besefte dat hij iets moest ondernemen
waren er geen geluiden meer uit Johan gekomen. Hij
lag bloedend in de badkamer, zijn ogen wijd open.
Een honkbalknuppel lag een meter verwijderd van zijn
hoofd. Zonder erover na te denken was Frans over
het lichaam van Johan gestapt en had hij de knuppel
opgepakt. Druppeltjes bloed waren van de knuppel op
de grond gevallen. Boris was naast zijn baasje gaan
liggen en jankte onophoudelijk. Frans had zich over
het kale bloedende hoofd van Johan gebogen en was
ervan overtuigd geweest dat hij dood was. Nog nooit
in zijn leven had hij een dood iemand gezien maar het
was duidelijk dat je geen ervaring hoefde te hebben
om de dood te herkennen. Wat moest hij doen? Een
ambulance bellen? De politie bellen? Met zijn
vingerafdrukken op het moordwapen? Ze zouden
zoveel vragen hebben waar hij geen antwoord op zou
willen geven. Daarbij zou de link tussen hem en
Johan gelegd zijn en dat is het laatste wat hij wilde.
Misschien als hij de dood van Johan op een ongeluk
kon doen lijken, misschien zou de politie dan geen
onderzoek instellen. Ze zullen zeker de hennepteelt
op zolder ontdekken maar uit niets hoefde te blijken
dat Frans hierbij betrokken was. Zonder er verder
over na te denken was Frans in actie gekomen. Eerst
had hij de trap uit de zolder getrokken. Daarna had hij
Johan met veel moeite naar de trap gesleept en hem
zo neergelegd dat het leek of hij achterover was
gevallen. In de badkamer had hij een emmer
gevonden en met warm water en zeep had hij een
sopje gemaakt. Met een doek had hij alle
bloedvlekken verwijderd. Nog een keer had hij naar
Johan gekeken; onder zijn hoofd had zich nog een
klein plasje bloed gevormd. De knuppel had hij in de
doek gewikkeld, die hij zo goed mogelijk had
uitgespoeld. Toen hij er zeker van was dat alles
schoon was en het leek of Johan door een
onfortuinlijke val om het leven was gekomen, was hij
naar beneden gelopen, naar de woonkamer. De oude
Nokia van Johan lag op de bank, Frans had er net zo
een. Het was de telefoon waarmee ze elkaar altijd
belden. Een prepaidsimcard was moeilijk door de
politie te traceren zei Johan altijd, om er vervolgens
aan toe te voegen dat als ze ooit in de problemen
zouden komen, Frans moest zorgen dat de telefoons
zouden verdwijnen. Hij was er redelijk zeker van
geweest dat dit zo’n moment was. Frans had de
telefoon in zijn binnenzak gestopt en was via de
achterdeur naar buiten gerend. Het klagende gejank
van Boris had hem gevolgd, terwijl hij door de
weilanden de zwarte nacht in rende.
Het piepende geluid van zijn iPhone brengt hem terug
naar de realiteit van het moment. Het berichtje van
Anita is kort maar duidelijk: ‘Waar ben je, we moeten
over een uur bij het politiebureau zijn, ze willen ons
DNA.’ Hij kijkt naar zijn handen en zijn kleren. Een
mengelmoes van bloed en modder. Zo kan hij niet
terug naar het hotel. Op straat zal iedereen naar hem
kijken. Snel trekt hij zijn broek en trui uit en doet ze
binnenstebuiten. Nu lijkt het in ieder geval schoon.
Dan neemt hij een foto van zijn gezicht. Op zijn wang
zit een veeg modder en op zijn kin een niet te
definiëren vlek. Hij spuugt in zijn hand en begint driftig
in zijn gezicht te wrijven; de vlekken moeten weg, dan
kan hij nog snel naar de hotelkamer om andere kleren
aan te doen en zich te wassen. Als hij zichzelf schoon
genoeg vindt, stuurt hij een berichtje aan Anita. ‘Ga jij
maar vast, ik zie je op het politiebureau.’

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*